QUINTSHEUL

 

In het oude hart van Quintsheul, een van de weinige plaatsen in Nederland die een eeuw geleden met een Q werd geschreven. Pas in het begin der twinstigste eeuw kwam de letter K in beeld, men dacht blijkbaar met de moderne tijd mee te moeten gaan. Bij de eerste series prentbriefkaarten van het dorp, van de pers gerold omstreeks 1890, kwam er geen K aan te pas. Tussen Quintsheul en Wateringen 'liep' jarenlang de Quintsheulweg, een straatnaam die later praktisch werd gehalveerd. De naam van het dorp werd vrijwel als Quintsheul bij één reeks notabene als Quintsheul geschreven. Laatstgenoemde spelling is overigens vrijwel zeker een drukfout geweest, de man moet beter hebben geweten. Stokoude akten en brieven laten er ook geen misverstand over bestaan, Quintsheul werd steevast gebruikt.

 

Deftig

Het starten van de dorpsnaam met een Q had op de een of andere manier iets deftigs, wellicht door de zeldzaamheidsgraad. In de dertiger jaren van de vorige eeuw werd de naam Quintsheul in een weekblad nog weer eens in herinnering gebracht. In dat artikel bleef er geen spaan heel van hen die de vrij unieke dorpsnaam destijds hadden gewijzigd door definitief voor de K als beginletter te kiezen. Weliswaar malen de Heulenaars van nu er nu niet meer om, toch is die Q van weleer hen altijd bijgebleven. Het kwam onder meer tot uiting bij de oprichting van een sportvereniging, een winkelcentrum en een kwekerij. Ook op dit gebied werd weer eens blijk gegeven dat oude liefde niet zo snel roest. Deze prentbriefkaart werd meer dan een eeuw geleden van Quintsheul naar het ten noord-westen van Leiden gelegen Voorhout verzonden. Op de achterzijde staat vermeld: "Den Heer H. Groenewegen, landbouwer op 'Ruimzicht' te Voorhout'. Hij mocht het kleinood ter gelegenheid van zijn verjaardag ontvangen van Heulenaar N. Raaphorst. Bij mijn weten waren de heren H.G. en N.R. familie van elkaar, waarschijnlijk zelfs zwagers.

 

Levensmiddelen

Hoewel de bekende fotograaf H. van Noort uit de Loosduinse Zeestraat de afgebeelde opname van het toenmalige dorpcentrum heeft vervaardigd, werd de ansicht in de handel gebracht door het levensmiddelenbedrijf van Maarten van der Knaap op de hoek Lange Wateringkade/Kerstraat. De bekende Heulse winkelier, wiens opvolgers zorg hebben gedragen dat er meerdere generaties Van der Knaap in de voetsporen van hun ouders of ooms traden, verkocht vanaf het uiterste begin der prentbriefkaarten-industrie kaarten in zijn warenhuis. Van der Knaap's winkelbedrijf is centraal op de foto, achter het drogende zeil, duidelijk te onderscheiden. Ondernemer Maarten runde naast zijn kruideniers/levensmiddelenbedrijf toentertijd tevens een café. Een kroegje dat behoorlijk diep, doch vrij smal was. Vandaar dat de pleisterplaats bij Heulenaars en schippers bekend stond als 'De Ren'. Talrijke, op doorvaart zijnde, schippers gingen in de omgeving van de Heulbrug aan wal om wat proviand in te slaan bij Van de Knaap. Niet zelden werd dan ook de drempel van 'De Ren' even gepasseerd om iets pittigs achterover te slaan, of aan boord te halen. De mensheid leefde ook honderd jaren geleden niet van brood alleen, het kan hen niet kwalijk worden genomen.

 

Meester-smid

Het wat lagere pand naast Van der Knaap was ten tijde van deze productie eigendom van meester-smid IJsbrand van den Bos(ch). Een man die naast officiële stiel het nevenberoep van schaatsfabrikant uitoefende. Hoewel dat laatste niet in het groot plaatsvond, zijn unieke Heulse krulschaatsen zeer bekend geworden. In hedendaagse kranten en tijdschriften worden die meer dan een eeuw oude Heulse schaatsen nog steeds regelmatig gevraagd. Voor musea en verzamelaars van sportattributen uit vervlogen jaren is de Heulse krulschaats nog altijd een geliefd object. In het grote gebouw links was de graanhandelaar J.A. van der Valk gevestigd, later uitgegroeid tot toeleveringsbedrijf voor de tuinbouw. Links vooraan zien we de opstallen van A. Nowee, een man die omstreeks 1900 als meester-metselaar in de boeken stond vermeld. Het houtwerk tegen de loods geeft aan waar metselaars ook toen niet buiten konden. Achter de lage schutting bevond zich als regel maaszand en grind. Vooral het maaszand werd door kwekers veel gebruikt, echter niet in grote hoeveelheden tegelijk. Bij zaaiwerk was (en is) dat zand echter vrijwel onontbeerlijk. Een beroepsschipper voerde het zand met enkele tonnen tegelijk aan. Tuinders gingen met hun schuitje bij het lage gedeelte naast de schutting voor anker om de benodigde hoeveelheid zand te kunnen laden.

 

Slager

Het pand met de geopende bovenramen ter rechterzijde werd toen bewoond door de familie De Vreede. De op de voorgrond staande winkelbedrijven (rechts) werden geëxploiteerd door P.J. Tangel en C.F. Scholtes. De eerste was omstreeks de voorlaatste eeuwwisseling kruidenier, nummer twee beoefende het edele vak van slager. Twee kruideniers was in het kleine Kwintsheul blijkbaar teveel van het goede. De concurrentie van collega Maarten van der Knaap zal voor Piet Tangel te groot zijn geweest. Weliswaar had Tangel achter zijn kruidenierswinkel reeds een slagerijtje, het gold aanvankelijk als bijwerk. Kort na de Eerste Wereldoorlog is Piet Tangel zich pas gaan specialiseren in vleeswaren. De twee Heulse slagers zaten toen, overigens zonder door te bijten op elkaars lip.... Niet alleen slagers, alle neringdoenden probeerden (proberen) wat meer te slijten dan door de klant werd gevraagd. Niemand kan ze overigens ongelijk geven. Ten aanzien van slagers leverde zulks al in 1910 het volgende vers op (in een achterhaalde spelling): "Een witte kiel, een vlijmscherp mes, een weegschaal en veel haken, een hakblok en een worstmachine, dat zijn des slagers zaken. Hij kapt een mooie biefstuk af, wat rosbief zonder pezen, een prachtig stuk, maar dat helaas steeds iets te groot moet wezen. Het is moeilijk in het slagersvak, den weegschaal te hanteren en juist te geven wat je vraagt, kan maar geen slager leren. En vreemd, het gevraagde stukje vleesch, wordt nooit te licht bevonden, 't is altijd juist 'n ietsje meer, foei, foei, die slagerszonden. Van de op deze uiterst fraaie opname aanwezige (on)roerende goederen, heeft slechts de Andreaskerk in de hier zichtbare weten te overleven. Zelfs het zich onder een grote hoed voortbewegende ukkie op de voorgrond, zou nu ver over de honderd jaren zijn geweest. Zo heeft Kwintsheul, evenals andere plaatsen, zich nadien op alle fronten ettelijk malen vernieuwd. Jammer genoeg ging dat niet ten voordele van de uitstraling. Daarom zal dit fraaie dorpsgezicht zeker voor het nodige spraakwater zorgen....

 

Bron: Velo Nieuws van woensdag 19 april 2006